Gemeentelijke vervoerbedrijven (gvb’s) mogen openbaar vervoer en daarnaast ook andere soorten vervoer aanbieden. Dit kan openbaar vervoer op afroep zijn of openbaar vervoer te water. Ook mogen de gvb’s werkzaamheden uitvoeren die rechtstreeks samenhangen met het verrichten van dat vervoer. Andere activiteiten, zoals taxivervoer of koffie verkopen, mag de vervoerder niet zelf uitvoeren. Dit is onder meer om te voorkomen dat overheidsgeld dat bestemd is voor openbaar vervoer, gebruikt wordt voor andere (commerciële) activiteiten. Dit verbod verhindert dat een vervoerder zijn positie gebruikt op andere vervoermarkten (bijvoorbeeld de taximarkt). De gvb’s moeten jaarlijks een verklaring opstellen waaruit de financiële verhouding tussen het gvb en zijn dochter- en zusterondernemingen blijkt. Mogelijke oneerlijke concurrentie door kruissubsidiëring moet daarbij aan het licht komen.