De verordening vereist namelijk dat de NMa, en alle andere nationale mededingingsautoriteiten van de Europese Unie, in een zaak waarin de handel tussen lidstaten wordt beïnvloed, niet alleen het nationale mededingingsrecht toepassen, maar ook het Europese. De samenwerking die nodig is om dit systeem uit te voeren vindt plaats in het European Competition Network (ECN).
Hoe de samenwerking tussen de Europese Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten bij de handhaving van het Europese kartelverbod en het Europese verbod op misbruik van een economische machtspositie (artikel 81 en 82 EG-Verdrag (thans art. 101 en 102 VWEU)) is vormgegeven, is te vinden in de Mededelingen en Bekendmaking van Europese Commissie en Verklaring van alle leden van het ECN.
Bepaalde uitvoeringsregelingen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 10 van de Mededingingswet.
In het kader van de samenwerking binnen het ECN en op basis van de verordening meldt de NMa nieuwe onderzoeken en concept-beschikkingen aan het ECN-netwerk indien sprake is van beïnvloeding van de handel tussen lidstaten. Verder maakt de Verordening, onder bepaalde voorwaarden, de uitwisseling van vertrouwelijke informatie binnen het ECN mogelijk. Met de taken die voortvloeien uit de samenwerking binnen het ECN, is binnen de NMa een stafeenheid van de directie Concurrentietoezicht belast. Voor de uitwisseling van informatie is een ‘disclosure officer’ aangewezen.
De verordening geeft de NMa ten slotte de mogelijkheid om rechters bij te staan in mededingingszaken als amicus curiae (vriend van het hof). In de richtsnoeren Amicus Curiae geeft de NMa aan hoe zij omgaat met deze bevoegdheid.